De evolutie van brandstofcellen
1e generatie
In deze eerste versie is het het elektrolyt (de middelste laag) die heel dik is om als stevige drager voor de cel te dienen. Nadeel: deze dikte belemmert de stroomdoorgang (ohmse verliezen) en dwingt het systeem om op zeer hoge temperaturen (meer dan 800°C) te werken.
2e generatie
Om de temperatuur te verlagen (tussen 700°C en 800°C) en energieverliezen te beperken, is het elektrolyt dunner gemaakt. Nu fungeert de anode als dikke mechanische drager. Dit vereist echter een sterk geoptimaliseerde interne structuur om gassen efficiënt te laten circuleren.
3e generatie
Dit is de technologie in de kern van ons project! De drager wordt een neutraal poreus metaal, waardoor de drie actieve lagen (anode, elektrolyt, kathode) zo dun mogelijk kunnen worden gemaakt. Resultaat: een stabielere cel die op een nog lagere temperatuur werkt (onder 650°C)
